Blog

  • PhysicianBench: AI faalt op klinische EPD-taken

    PhysicianBench: Het beste AI-model slaagt voor minder dan de helft van de klinische EPD-taken. Het gemiddelde over 3 pogingen is nog veel lager…

    Stanford University publiceerde begin mei PhysicianBench. PhysicianBench test taken waarbij een AI-agent meerdere opeenvolgende stappen uitvoert in het EPD, waarbij elke stap voortbouwt op de vorige. Diagnose interpreteren, medicatie controleren, verwijzing plaatsen, documentatie aanmaken, alles in samenhang. Een fout vroeg in de keten heeft gevolgen voor alles wat daarna komt.

    Dit doen ze op basis van een EPD-omgeving gevuld met geanonimiseerde patiëntdata van Stanford Health Care, via standaard API’s die commerciële EPD-leveranciers ook gebruiken.

    Hoe de test werkte

    De 100 taken zijn gebaseerd op echte consultvragen tussen huisartsen en specialisten, over 21 specialismen, en onafhankelijk gevalideerd door een apart panel van artsen. Elke taak specificeert een klinische rol, een aanleiding en het verwachte eindresultaat. De AI-agent navigeert via een reeks opeenvolgende ’tool calls’ door het EPD, gemiddeld 27 per taak. Denk aan: diagnose interpreteren, medicatie voorschrijven, behandelplan opstellen en documentatie aanmaken, alles in samenhang.

    Na afloop wordt gekeken of de agent het EPD ook daadwerkelijk correct heeft bijgewerkt: staat de order erin, klopt de notitie? Elke taak is opgedeeld in tussenstappen, 670 in totaal, die elk afzonderlijk worden getoetst.

    De uitkomsten

    Van 12 geteste modellen scoorde GPT-5.5 het hoogst met 46%. Claude Opus 4.6 en 4.7 kwamen op 32% en 29%. De sterkste open-source variant, DeepSeek V4-Pro, haalde 19%.

    De onderzoekers voerden elke taak ook drie keer uit met hetzelfde model. GPT-5.5 scoorde dan gemiddeld 28% in plaats van 46%. Een taak die één keer lukt, lukt een volgende keer dus lang niet altijd opnieuw. De 46% is daarmee een momentopname, geen betrouwbare prestatie.

    Modellen maken fouten verspreid over het hele proces, zoals bij het ophalen van data, bij redeneren over meerdere patiëntcontacten en bij het correct uitvoeren van acties in het systeem. De benchmark toetst ook of acties daadwerkelijk correct zijn uitgevoerd in het EPD, niet alleen of het model de juiste richting beschreef. Dat verschil is in de praktijk cruciaal.

    Een model dat in een pilot overtuigend presteert, kan diezelfde taak in de dagelijkse praktijk regelmatig fout doen. De zorgverlener die geen zekerheid heeft dat het goed is, controleert alsnog alles. Waar zit dan de winst?

    Gedeelde link bij LinkedIn bericht:

    Originele LinkedIn bericht: https://www.linkedin.com/feed/update/urn%3Ali%3Ashare%3A7461411611245953024

     

  • De AI-scribe van vandaag is de slechtste die je hebt

    De AI-scribe van vandaag is de slechtste AI-scribe die je ooit zult gebruiken. Die van morgen is beter. Maar alleen als wij nu de juiste keuzes maken.

    In mijn nieuwe artikel op ICT&health bespreek ik een aantal onderwerpen die bij opschaling van spraakgestuurd rapporteren aan de orde komen, waaronder…

    Van pilot naar praktijk. 69% van de ziekenhuizen is gestart, maar gemiddeld gebruikt slechts 21% van de beoogde zorgverleners de technologie actief. Wat maakt het verschil tussen een succesvolle pilot en een landelijke standaard?

    Een pilot vraagt om enthousiasme. Opschaling vraagt om structuur.

    Kwaliteit en EPD-afhankelijkheid. Onbewerkte AI-verslagen bevatten foutpercentages van 15% tot bijna 50%. Na correctie verdwijnen de meeste fouten, maar dat vraagt iets van de zorgverlener. En naarmate de integratie met het EPD dieper wordt, verschuift de afhankelijkheid, met gevolgen voor wat AI-scribe leveranciers überhaupt kunnen bieden.

    Dan zou je ook nog de vraag kunnen stellen welke functionaliteit op de voorgrond staat, het EPD dat de AI-scribe insluit, of de AI-scribe die het EPD naar de achtergrond duwt.

    De doorbraakmiddelen als kans, en als risico. Vanuit het AZWA komt 800 miljoen euro beschikbaar. Spraakgestuurd rapporteren is één van de speerpunten. Maar versnellen zonder richting is gokken op een goede uitkomst.

    Spraakgestuurd rapporteren is in die zin niet alleen een oplossing voor de administratieve last. Het is een oefening in AI-samenwerking die de hele organisatie AI-ready maakt.

    Voor dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de AI Monitor Ziekenhuizen 2026 van M&I/Partners, het rapport spraakgestuurd rapporteren van Digizo.nu en inzichten van mProve ziekenhuizen en nog een aantal artikelen uit V.S.

    Gedeelde link bij LinkedIn bericht:

    Originele LinkedIn bericht: https://www.linkedin.com/feed/update/urn%3Ali%3Ashare%3A7457813841091952640

     

  • Doorbraak begint met de slechtste AI-scribe die je ooit zult gebruiken

    Tijdens een consult voert de arts een gesprek met de patiënt, en terwijl zij praten schrijft een AI-scribe mee. Geen toetsenbord, geen dictafoon, geen handmatige invoer. Na het consult staat er een gestructureerd verslag klaar in het EPD. De arts corrigeert, klikt op akkoord, en gaat door. Helemaal zonder toetsenbord en muis is het nog niet, maar het is een mooie ontwikkeling met nog veel meer potentie. Maar zelfs technologische ontwikkelingen die goed ontvangen worden door de eindgebruikers, schalen niet vanzelf op.

    Internationaal zijn er al veel studies gedaan naar spraakgestuurd rapporteren. Deze laten zien dat de documentatietijd vermindert en dat er een indicatie is dat het burn-out percentage daalt. Al variëren de gemeten effecten sterk per setting, specialisme en implementatieaanpak. De technologie is bewezen, maar daarmee zijn we er nog niet.

    In Nederland staan we niet aan de vooravond van een nieuwe beweging, maar in een fase waar het zich in de praktijk bewezen heeft en waar nog een aanzienlijk opschalingspotentieel ligt. Via het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord komt er een mooie kans om die opschaling door te trekken. Vanuit het AZWA komt er 800 miljoen euro als doorbraakmiddelen, te besteden in 2027, 2028 en 2029, voor bewezen arbeidsbesparende AI, digitale en hybride zorg en medische technologie.

    Spraakgestuurd rapporteren is daarbinnen één van de speerpunten, maar niet het enige. De middelen bestrijken meerdere onderwerpen en zorgsectoren, waaronder telemonitoring waarover ik eerder schreef. De spelregels worden in de loop van dit jaar bekendgemaakt.

    Van pilot naar praktijk: de kloof die overblijft

    De AI Monitor Ziekenhuizen 2026 (M&I) laat een genuanceerd beeld zien. 69% van de ziekenhuizen is gestart met spraakgestuurd rapporteren, maar gemiddeld gebruikt slechts 21% van de beoogde zorgverleners de technologie actief. Een kwart van de ziekenhuizen heeft nog geen enkel onderdeel van de AI-readiness op orde, van datastrategie tot transformatievermogen. Het is geen kwestie van alleen de technologie uitrollen, want dan zijn we er nog niet.

    Er is een aanzienlijk verschil tussen een succesvolle uitrol in één ziekenhuis en een landelijk ingevoerde standaardwerkwijze. In de VS liep men daar ook tegenaan zodra de opschaling begon. Klinische terminologie verschilt per specialisme, soms per afdeling. Workflows zijn niet gestandaardiseerd. En dan zijn er de vragen die je bij een pilot kunt parkeren, maar bij opschaling niet; hoe informeer je patiënten over het feit dat hun gesprek wordt meegeluisterd? Hoe borgt een organisatie de kwaliteit van wat er in het dossier terechtkomt? Hoe is het gebruik te monitoren? En de vraag die ik hoop dat beantwoord is vóórdat je aan pilot start, wie is verantwoordelijk als de AI een fout maakt in een notitie?

    Een pilot vraagt om enthousiasme. Opschaling vraagt om structuur.

    Kwaliteit, kosten en de belofte van morgen

    Vanderbilt University Medical Center rolde spraakgestuurd rapporteren in één beweging uit naar meer dan 2.400 clinici. Binnen drie maanden verwerkte ze één op de vijf consulten via spraakgestuurde verslaglegging, en meer dan 90% van de ondervraagde gebruikers zou teleurgesteld zijn als ze de toegang weer zouden verliezen. Dat zijn indrukwekkende adoptiecijfers, maar dat komt niet vanzelf. Vanderbilt begon met een pilot met een klein aantal gebruikers, breidde geleidelijk uit, en investeerde intensief in training en ondersteuning.

    Regelmatig hoor ik, vrij vertaald: ‘De AI van vandaag is de slechtste AI die je ooit zult gebruiken.’ Dat is een mooi perspectief, maar de kwaliteit vandaag in een productieomgeving in de zorg is zeer relevant. En daar zijn wel aandachtspunten. In het Digizo.nu rapport over spraakgestuurd rapporteren is terug te lezen dat onbewerkte AI-verslagen regelmatig onnauwkeurigheden bevatten, met foutpercentages die variëren van 15% tot bijna 50%, vooral door omissies. Ernstige hallucinaties zijn zeldzaam, maar komen voor. Na correctie door de gebruiker verdwijnen de meeste kwaliteitsverschillen, maar dat betekent dat de zorgverlener hier rekening mee moet houden en werk aan heeft, en daarvoor ook getraind moet worden. Dat klinkt als een drempel, maar het rapport biedt gelukkig ook praktische handvatten om dit goed in te richten.

    Op basis van internationale ervaringen en de ervaringen in de Nederlandse praktijk werd al duidelijk dat er wel een tijdswinst zit, maar dat die financieel lastig te effectueren is in lagere kosten of meer opbrengsten. Dat betekent dat de kosten van spraakgestuurd rapporteren lastig direct terug te ‘verdienen’ zijn. De voordelen als een prettiger consult voor patiënt en zorgverleners, minder cognitieve belasting en een beperkte tijdswinst bij de zorgverlener zijn ook belangrijke overwegingen. Daarnaast zou dit de slechtste AI-scribe moeten zijn die nog gebruikt gaat worden; die van de komende jaren gaan alleen maar beter worden en mogelijk meer administratie uit handen nemen en ook voorstellen doen rondom de behandeling. Is het dan nog een lastige keuze of je als organisatie spraakgestuurd rapporteren beschikbaar wilt stellen?

    Van integratie naar afhankelijkheid

    Om goed gebruik te maken van spraakgestuurd rapporteren is integratie met het elektronisch patiëntendossier belangrijk, anders moeten zorgverleners samenvattingen handmatig kopiëren en plakken. Dit zorgt ervoor dat er minder tijdwinst is. Die situatie is voor een aantal leveranciers van EPD en AI-scribes inmiddels anders, er zijn diverse ziekenhuizen die spraakgestuurd rapporteren met een integratie in het EPD in plaats van kopiëren en plakken.

    Maar met die integratie verschuift het probleem wel. AI-scribe leveranciers zijn nu afhankelijk van wat de EPD-leverancier technisch mogelijk maakt en van het tempo waarop die zijn ontwikkelagenda uitvoert. De AI-scribe leverancier zit in veel gevallen ook verborgen achter de schermen van het EPD. Functionaliteit die een AI-scribe leverancier morgen wil bieden, kan pas worden ingezet als het EPD die koppeling ondersteunt. Dat creëert een afhankelijkheid die ziekenhuizen en AI-scribe leveranciers samen maar beperkt kunnen beïnvloeden. Daarnaast zal het voor AI-scribe leveranciers lastiger worden om zichzelf te onderscheiden, zeker als EPD-leveranciers zelf ook met specifieke partijen een AI-scribe functionaliteit met verregaande integratie aanbieden. Dan zou je ook nog de vraag kunnen stellen welke functionaliteit op de voorgrond staat, het EPD dat de AI-scribe insluit, of de AI-scribe die het EPD naar de achtergrond duwt.

    Al deze afhankelijkheid wordt relevanter naarmate de technologie zich ontwikkelt. De huidige integratie richt zich op vrije tekstvelden waarbij de samenvatting in het juiste consultsjabloon belandt. Maar de volgende stappen zijn veel ambitieuzer, zoals het gestructureerd vastleggen van discrete data. Diagnoses als ICD-codes (financieel) en later als SNOMED-codes, medicatiewijzigingen rechtstreeks in het medicatieoverzicht, ZIB-conforme vastlegging van bevindingen. Dat zijn ontwikkelingen die meerdere leveranciers al op hun roadmap hebben staan, en die de waarde van spraakgestuurd rapporteren een nieuwe dimensie geven. Niet alleen minder administratie, maar ook betere en herbruikbare data.

    Of die belofte wordt ingelost hangt in Nederland in belangrijke mate af van de mogelijkheden van EPD-leveranciers om dit samen met de markt te ontwikkelen. Het zal ook laten zien welke AI-scribe leveranciers volwassen genoeg zijn om zich voldoende te certificeren. De doorbraakmiddelen bieden een kans om daar als zorgsector collectief regie op te nemen, niet als klant die afwacht, maar als collectief dat als opdrachtgever richting geeft.

    Wat de doorbraakmiddelen zouden moeten bereiken

    Hier ligt de echte uitdaging voor Nederland. De doorbraakmiddelen zijn niet bedoeld als onderzoeksbudget, ze zijn bedoeld als versneller van bewezen toepassingen. Dat is terecht, maar versnellen zonder richting is gokken op een goede uitkomst. Drie doelen verdienen expliciete aandacht.

    Het eerste is werkdrukvermindering voor zorgverleners, niet productiviteitsverhoging voor organisaties. De ervaringen die er nu al gelden voor zorgverleners zijn belangrijker dan tijdwinst in absolute zin. Als de vrijgekomen tijd wordt omgezet in meer patiënten per uur, missen we de kern. Gelukkig staat reduceren van werkdruk als drijfveer voor AI op 100% bij alle ziekenhuizen in de AI Monitor Ziekenhuizen 2026. Geen enkel ander doel scoort zo hoog. Tegelijkertijd is de gerealiseerde impact van AI in de afgelopen drie jaar in de meeste ziekenhuizen overwegend neutraal gebleven. En bijna de helft van de ziekenhuizen verwacht dat AI eerder zal leiden tot hogere zorgkosten dan lagere. De uitdaging zal zijn via grotere schaal een hogere impact per organisatie te behalen, en daarin niet alleen te focussen op tijd maar ook op kwalitatieve voordelen.

    Het tweede doel is kennisdeling en gezamenlijke doorontwikkeling. Elk ziekenhuis dat nu spraakgestuurd rapporteren uitrolt, maakt zijn eigen keuzes over templates, kwaliteitsborging en implementatieaanpak. Veel van die keuzes zijn al eerder gemaakt door anderen. De doorbraakmiddelen bieden een kans om dat te doorbreken door ervaringen actief te delen, succesvolle aanpakken op te nemen in modelplannen, en uitwisseling tussen ziekenhuizen te organiseren over de praktische inrichting per specialisme. Hoe documenteert een longarts anders dan een cardioloog? Welke templatestructuur werkt voor de verpleegkundig specialist? Welke feedbackloop tussen zorgverlener en leverancier leidt tot de snelste kwaliteitsverbetering? Dat zijn vragen waarop de antwoorden al bestaan, maar verspreid over tientallen organisaties. Tegelijkertijd moeten de kaders ook de EPD-kant omvatten, heldere afspraken over de doorontwikkeling. Zodat ziekenhuizen niet ieder afzonderlijk onderhandelen over hetzelfde probleem.

    Meer dan een tool, bouwen aan AI-volwassenheid

    Dan is er nog een derde doel, dat gaat meer over het AI-volwassenheid. Ziekenhuizen die nu zorgverleners laten ervaren hoe AI hun werk concreet verlicht, bouwen iets op dat verder gaat dan één tool. Ze leren daarmee ook dat AI nog steeds een kritische blik nodig heeft. Ze bouwen vertrouwen in AI als zodanig, en dat vertrouwen is de randvoorwaarde voor alles wat daarna komt. Diagnostische AI, voorspellende modellen, geautomatiseerde codering, het draagvlak daarvoor groeit in organisaties waar medewerkers al hebben meegemaakt dat AI betrouwbaar, beheersbaar en nuttig kan zijn. Door de brede toepassingsmogelijkheden van spraakgestuurd rapporteren is het ook mogelijk om AI-geletterdheid mee te nemen.

    Spraakgestuurd rapporteren is in die zin niet alleen een oplossing voor de administratieve last. Het is een oefening in AI-samenwerking die de hele organisatie AI-ready maakt.

    De vraag die blijft liggen

    De doorbraakmiddelen worden in 2029 geëvalueerd. Wat staat er dan in dat rapport?

    Als het antwoord is dat we opnieuw goede pilots hebben gedraaid, de EPD-ontwikkelagenda niet is bijgehouden, verpleegkundigen zijn overgeslagen en de tijdwinst is opgegaan in hogere productiviteitseisen, dan hebben we het geld besteed maar de boot gemist.

    Nederland heeft iets wat de V.S. niet had, de luxe van achteraf kijken. We weten wat er misgaat als je opschaalt zonder structuur, zonder stevige EPD-afspraken en zonder bewuste keuzes over de bestemming van de gewonnen tijd. De doorbraakmiddelen geven ons meer ruimte dan alleen financiële middelen om door te pakken. Laat de doorbraak ook de gezamenlijke aanpak zijn. Dan werken we als zorgsector naar minder administratieve last en een gezonde voedingsbodem voor andere AI-innovaties.


    Link ICT&Health: https://www.icthealth.nl/nieuws/doorbraak-begint-met-de-slechtste-ai-scribe-die-je-ooit-zult-gebruiken

    Nederlandse bronnen

    M&I/Partners. AI Monitor Ziekenhuizen 2026. Zeist: M&I/Partners, 2026. https://mxi.nl/kennis/752/ai-monitor-ziekenhuizen-2026

    Digizo.nu. Spraakgestuurd rapporteren binnen de medisch-specialistische zorg: opschaling in de praktijk. Versie 1.0, 3 februari 2026. https://digizo.nu/proces/spraakgestuurd-rapporteren-msz/

    Zorgakkoorden.nl. Bestuurlijk overleg IZA/AZWA besluit doorbraakmiddelen te investeren in AI, digitale zorg en technologie. April 2026. https://www.zorgakkoorden.nl/actueel/nieuws/Doorbraakmiddelen/

    Internationale bronnen

    Wright A.P. et al. Enterprise-wide simultaneous deployment of ambient scribe technology: lessons learned from an academic health system (Vanderbilt). JAMIA, 2025. https://academic.oup.com/jamia/advance-article/doi/10.1093/jamia/ocaf186/8307782

    Duggan M.J. et al. Use of Ambient AI Scribes to Reduce Administrative Burden and Professional Burnout. JAMA Network Open, oktober 2025. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC12492056/

    Afshar M. et al. Ambient AI Scribes in Clinical Practice: A Randomized Trial (UW Health). NEJM AI, december 2025. https://www.med.wisc.edu/news/ambient-ai-improves-practitioner-well-being/

    Tierney A.A. et al. Ambient artificial intelligence scribes: learnings after 1 year and over 2.5 million uses (The Permanente Medical Group). NEJM Catalyst, 2025. https://catalyst.nejm.org/doi/full/10.1056/CAT.25.0040

    Rotenstein L. et al. Barriers and opportunities of scaling ambient AI scribes for clinical documentation across diverse healthcare settings. npj Digital Medicine, maart 2026. https://www.nature.com/articles/s41746-026-02554-0

  • AI-scribes: meer effect bij intensief gebruik

    AI-scribes (spraakgestuurd rapporteren) leveren drie keer meer op als je ze veel gebruikt, slechts 32% doet dat.

    In JAMA verscheen van de grootste studies naar AI-scribes tot nu toe. Vijf academische ziekenhuiscentra, ruim 8.500 zorgverleners, meer dan twee jaar data uit de V.S.

    Gemiddeld resultaat: 16 minuten minder documentatietijd, 13 minuten minder EPD-tijd per dag.

    De 16 minuten is de winst specifiek op documentatie tijd, het schrijven en bewerken van klinische notities. De 13 minuten is de winst op totale EPD-tijd, zoals uitslagen bekijken, orders plaatsen en berichten lezen. De documentatie tijd daalt dus meer dan het EPD gebruik overall.

    ⚠️ Weinig tijdswinst, meer cognitieve rust?

    Eerder onderzoek bij Mass General Brigham liet een daling van 21% in gerapporteerde burnout zien na invoering van AI-scribes. Die reductie is aanzienlijk.

    Maar de bescheiden tijdwinst verklaart die burnout-daling niet. De onderzoekers geven aan dat ze het vanuit het onderzoek niet kunnen verklaren.

    Waarschijnlijk zit de waarde niet alleen in minuten, maar meer in minder cognitieve druk tijdens het consult.

    Verdubbelaar: Adoptie bepaalt het effect

    Zorgverleners die AI-scribes bij meer dan 50% van hun consulten gebruikten, ervaren twee keer zoveel EPD-tijdwinst en drie keer minder documentatietijd. Slechts 32% van de zorgverleners lukt dit.

    De technologie werkt het best voor wie deze het meest gebruikt. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar het vraagt iets van organisaties… actieve begeleiding bij adoptie en bijsturen, niet alleen beschikbaar stellen en afwachten.

    !?️Hoe worden zorgverleners binnen jullie organisaties begeleid?

    Is er ook sturing op gebruik van individuele zorgverleners? Zo ja, heeft dat effect?

    Gedeelde link bij LinkedIn bericht:

    Originele LinkedIn bericht: https://www.linkedin.com/feed/update/urn%3Ali%3Ashare%3A7451690935240937473

     

  • Van Wegiz naar EHDS: waar blijven de open API’s?

    Van Wegiz naar EHDS, maar waar blijven de verplichte open API’s?

    Jan Willem Spijkman ING Sector Banking (ING) publiceerde deze week een artikel over digitale zorg in Nederland. We investeren relatief veel, maar de toegang tot en uitwisseling van patiëntgegevens blijft achter. De grootste vijand is niet techniek, maar versnippering.

    En versnippering doorbreek je niet zonder open systemen. De Wegiz en de EHDS dragen hier aan bij, maar ze missen iets fundamenteels.

    Ze regelen toegang tot data. Maar niet welk portaal, ketendossier, AI-platform of telemonitoringsysteem een zorgaanbieder kan aansluiten op het bronsysteem (EPD, ECD of HIS). Zolang leveranciers hun API’s gesloten mogen houden voor derden, bepalen zij de digitale infrastructuur van de zorg, niet de zorgaanbieder en niet de patiënt.

    Jan Willem Spijkman noemt complementaire initiatieven die een landelijke bijdrage kunnen leveren: CumuluZ, Digizorg, Zorg bij jou en RIVO-Noord Zorgviewer. Deze kunnen nog meer waarde leveren als de bron systemen API’s open stellen. Open API’s dragen bij aan landelijke opschaling.

    Lees meer op ICT&health en laat vooral weten wat jij denkt van de Wegiz, EHDS en verplicht openstellen van API’s.

    En er zijn natuurlijk ook leveranciers die al ver zijn met open API’s. Wie verdient een vermelding?

    Data voor gezondheid – Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

    Gedeelde link bij LinkedIn bericht:

    Originele LinkedIn bericht: https://www.linkedin.com/feed/update/urn%3Ali%3Ashare%3A7450529570115665921

     

  • Is de Wegiz achterhaald door de EHDS?

    Europa heeft een ambitieus plan voor gezondheidsdata. De European Health Data Space (EHDS) moet ervoor zorgen dat patiënten en zorgverleners zorgdata overal in Europa kunnen inzien, en dat onderzoekers en beleidsmakers veilig gebruik kunnen maken van geanonimiseerde gezondheidsgegevens. Een goede start, maar geen eindpunt.

    Want de EHDS is geen knop die je omzet. Het is een transformatie die vraagt om keuzes op het niveau van governance, standaarden én vertrouwen. Andere landen laten zien wat het betekent als je die keuzes vroeg en vastberaden maakt. Estland bouwde één nationaal EPD* als fundament voor de hele zorgsector. Dit is niet te kopiëren voor Nederland, maar het bewijst wat er mogelijk is. Finland zette met het Kanta-platform een knop om: verplichte deelname, gestandaardiseerde uitwisseling, HL7 FHIR als basis. Denemarken maakte digitale triage regionaal verplicht en ziet structureel minder fysieke consulten. De rode draad: landen die digitale zorg echt opschalen doen dat niet met losse pilots, maar met landelijke standaarden en een afdwingbaar kader. Precies wat de EHDS nu Europees probeert te doen en wat Nederland nationaal nog moet effectueren.

    Stimulans is niet genoeg

    De afgelopen jaren zijn er veel initiatieven voorbijgekomen. Het Versnellingsprogramma informatie-uitwisseling Patiënt & Professional (VIPP) joeg digitalisering aan. De resultaten werden tijdens de meeste regelingen afgezwakt, maar ze hebben wel een basis gelegd voor uitwisselingen met patiënten, de Basisgegevensset Zorg (BgZ), inzage, verwijzen en overdrachten, zelfs cross-sectoraal. Als ik terugkijk is er meer uit de VIPP-programma’s gekomen dan toen ik bezig was met de implementaties.

    De Wegiz gaf richting maar werd nooit echt gehandhaafd. Het IZA doet zijn werk als regionale aanjager, maar is geen juridisch kader voor databeschikbaarheid.

    Dat niet alles gaat zoals vooraf bedacht is dat blijkt wel uit de implementatie van eOverdracht. eOverdracht wacht nog steeds op een werkende uitwisseling vanuit VVT naar ziekenhuizen, en dat terwijl er een VIPP-programma voor was, een AMvB in de Wegiz (komt nog), en een duidelijke zorgbehoefte. In de tussentijd leven we nog steeds in een fase van minimale eOverdracht, waarbij weinig VVT-organisaties de Zorginformatiebouwstenen (zibs) al verwerken in het ECD. Natuurlijk werkt men ook nog aan deze uitwisseling, maar dat is inmiddels al 5 jaar.

    Dit is precies het punt, voor een aantal uitwisselingen is afdwingbaarheid nodig. Zolang er geen juridisch kader is dat alle partijen (zorgaanbieders én leveranciers) verplicht, blijft interoperabiliteit afhankelijk van vrijwilligheid en commerciële keuzes.

    Drie lagen, maar geen verplichting

    Nederland heeft inmiddels een herkenbare structuur opgebouwd rondom databeschikbaarheid. Op ministerieel niveau zorg voor de Wegiz, welke uitwisselingen verplicht zijn en op welke standaard. Zorgverzekeraars Nederland coördineert via het Coördinatieteam Digitale Samenwerkingsinitiatieven (CDS) digitale initiatieven en kan convergentie stimuleren. En in de regio’s dragen RSO’s en samenwerkingsverbanden de uitvoering. Drie lagen die elk hun bijdrage leveren. Geen van deze lagen heeft een juridisch instrument om leveranciers te verplichten hun systemen open te stellen voor derden. De Wegiz verplicht zorgaanbieders, dat werkt door op leveranciers maar alleen voor de Wegiz uitwisselingen. Het CDS heeft geen mandaat richting de markt. Ondanks dat de grotere RSO’s een betere onderhandelingspositie hebben, zijn zij ook afhankelijk van leveranciers.

    De Wegiz is onvolledig

    De Wegiz staat nu op pauze voor EHDS-afstemming. Dat is geen reden om hem los te laten , het is een kans om hem beter te maken. De uitwisselingen lopen door: medicatieoverdracht, BgZ, beeldbeschikbaarheid, eOverdracht. Het draagvlak is er. De Wegiz is het enige beschikbare nationale instrument met enige afdwingbaarheid rondom databeschikbaarheid. Het ministerie van VWS geeft aan dat de ze de Wegiz EHDS-ready aan het maken zijn: conformiteitsbeoordelingen afstemmen en uitwisselingen positioneren als voorlopers van de Europese uitwisselingen.

    Maar de Wegiz heeft een blinde vlek. Hij richt zich met name op zorgaanbieders, niet direct op leveranciers. Daar zit het structurele probleem.

    De twee lagen die Nederland mist

    De VS laat zien hoe je dat doorbreekt. De 21st Century Cures Act maakt een onderscheid dat Nederland nog niet maakt. Laag één: het recht op datatoegang. Patiënten kunnen hun data opvragen, downloaden en overdragen. Laag twee: verplichting voor EPD-leveranciers open FHIR-API’s aan te bieden zodat andere apps en systemen op dezelfde wijze toegang krijgen tot patiëntdata en verbiedt hun die toegang te blokkeren. Het portaal is het bekendste voorbeeld, maar het gaat principieel over datatoegang in brede zin. Beide lagen zijn juridisch afdwingbaar. Information blocking, het bewust afsluiten van data of functionaliteit, is verboden en kan leiden tot forse boetes. Het resultaat is een ecosysteem waarin patiënten hun medische gegevens uit honderden zorginstellingen op hun smartphone kunnen inzien, en waarin zorgaanbieders niet langer gevangen zitten in het portaal van hun EPD-leverancier.

    De EHDS regelt laag één: patiënten krijgen het recht hun data op te vragen, te downloaden en over te dragen. EPD’s moeten daarvoor een gestandaardiseerde interface bieden in het Europese EEHRxF-formaat. Er is een tweede laag: kunnen andere partijen dezelfde API’s gebruiken als de EPD-leverancier zelf gebruikt? Helaas laat de EHDS deze liggen, en de Wegiz ook.

    Dit is geen nieuw inzicht. De Nederlandse universitair medische centra pleitten al eerder expliciet voor een open API-strategie in de Wegiz, met als argument dat leveranciers van zorginformatiesystemen hun diensten moeten ontsluiten zonder toegangsbeperking. Dat pleidooi heeft nooit zijn weg gevonden naar wetgeving.

    Zolang leveranciers hun API’s gesloten mogen houden voor concurrerende apps, bepalen zij welke digitale voordeur, welk AI-platform of welk telemonitoringsysteem een zorgaanbieder optimaal kan gebruiken, niet de zorgaanbieder zelf en niet de patiënt.

    Innovatie stopt waar de API eindigt

    De Autoriteit Digitale Gezondheid (ADG) wordt de toezichthouder op databeschikbaarheid. Dat is goed nieuws, maar de ADG kan alleen handhaven op wat wettelijk is verankerd. En de verplichting tot open API’s, laag twee, staat er nog niet in.

    Dit is de keuze die snel gemaakt moet worden. Voor beleidsadviseurs die nu werken aan de implementatiewetgeving voor de EHDS en de doorontwikkeling van de Wegiz is er één concrete vraag: geef de ADG de bevoegdheid om ook laag twee af te dwingen. Verplicht EPD-leveranciers dezelfde API’s open te stellen die zij zelf gebruiken. Niet als vrijblijvende richtlijn, maar als juridische verplichting.

    Zonder die stap hebben we over een aantal jaar weer een blog nodig over waarom het niet gelukt is.

    *= Waar EPD staat, kan ook ECD of HIS gelezen worden.


    Link ICT&Health: https://www.icthealth.nl/nieuws/is-de-wegiz-achterhaald-door-de-ehds

  • Telemonitoring werkt, maar is nog geen gewone zorg

    Telemonitoring werkt. Enige tijd geleden sprak ik een kennis die zwanger was en via PregnaOne vanuit huis werd gevolgd door Adrz. Geen rit naar het ziekenhuis voor elke controle. Thuis meten, en de zorgverlener kijkt mee op afstand. Voor haar was het een uitkomst. Dat is logisch, want Zeeland is een regio waar de afstand tot het ziekenhuis er echt toe doet.

    Er zijn meer voorbeelden die laten zien wat er al mogelijk is, zoals COPD-monitoring via Sananet (in Adrz). Naast de ervaringen in Adrz zijn er verschillende goede voorbeelden, met verschillende leveranciers, te vinden in het Digizo.nu rapport over Telemonitoring COPD.

    En toch… Het proefschrift van Harm Gijsbers, PhD laat zien hoe telemonitoring in aantallen steeg in universitaire ziekenhuizen, maar ook welke uitdagingen er zijn rondom bekostiging en organisatie. In Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Monitor Digitale Zorg 2025 is ook te zien dat het gebruik van telemonitoring door artsen beperkt groeit. Dat zit voornamelijk in het ontbreken van de randvoorwaarden.

    Daar gaat mijn blog over op ICT&health: Telemonitoring werkt, maar waarom is het nog steeds geen gewone zorg?

    Gedeelde link bij LinkedIn bericht:

    Originele LinkedIn bericht: https://www.linkedin.com/feed/update/urn%3Ali%3Ashare%3A7447317588654764032

     

  • Telemonitoring werkt, maar waarom is het nog steeds geen gewone zorg?

    We zijn ervan overtuigd dat digitale zorg de zorg van morgen is. We zeggen het in akkoorden, we schrijven het in rapporten, we financieren pilots. En toch is het lang niet vanzelfsprekend… Ik ben mij ervan bewust dat er hele goede voorbeelden zijn van telemonitoring, maar landelijk opschaling is niet aan de orde.

    Het is zoeken naar de stand van zaken rondom telemonitoring in Nederland. Gelukkig zijn er onlangs 3 verschillende publicaties geweest die samen een goed beeld schetsen. Het proefschrift van Harm Gijsbers (Implementation and scale up of telemonitoring in the Netherlands, UvA, 2026) evalueert hoe Nederland telemonitoring opschaalde in alle zeven universitaire medische centra. De Monitor Digitale Zorg 2025 van het RIVM meet hoe zorgverleners en zorggebruikers digitale zorg gebruiken en ervaren. De Toekomstvisie Medisch Specialist 2035 geeft aan waar de beroepsgroep zelf naartoe wil. Alvast de samenvatting: er is veel goede wil, er zijn bewezen oplossingen, en toch komt de landelijke doorbraak maar niet.

    De kansen zijn er in de praktijk, niet hypothetisch

    Telemonitoring is geen belofte meer. Gijsbers laat met cijfers zien wat er in twee jaar mogelijk is. Patiënten met hartritmestoornissen die op afstand werden gemonitord, stegen van 190 naar ruim 5.000. Zwangere vrouwen die thuis werden gevolgd: van 41 naar meer dan 1.100. Vitale functies bewaakt op afstand: van 2.666 naar meer dan 13.000 patiënten. Dit zijn geen proeftuinen, maar opschalingen van telemonitoring door academische ziekenhuizen. Telemonitoring is niet alleen een feestje van de academische huizen, misschien wel ‘juist niet’. De schaal en impact moet grotendeels vanuit de topklinische en algemene ziekenhuizen komen. Samenwerkingen als Santeon laten ook zien dat er aandacht voor is, maar ook dat het niet makkelijk is.

    Telemonitoring maakt zorg mogelijk dicht bij huis, vergroot de veiligheid van mensen met chronische aandoeningen, en biedt perspectief op minder arbeidsintensieve zorg mits goed ingericht. De RIVM-monitor voegt een hoopvol signaal toe: 81% van mensen met een chronische ziekte heeft inmiddels toestemming gegeven voor elektronisch delen van gegevens, tegen 56% een jaar eerder. Het vertrouwen in digitale zorg groeit, dat is hoopvol.

    De obstakels zijn taai

    Gijsbers is eerlijk over wat er niet werkte. De grootste complexiteit in het Citrien-programma bleek niet inhoudelijk maar organisatorisch. Wie is verantwoordelijk als de pilot stopt, wie betaalt de verpleegkundige die de data interpreteert, wie onderhoudt de verbinding met de huisarts? Zolang die vragen onbeantwoord blijven, hangt telemonitoring af van projectfinanciering en gedreven individuen, dat maakt het erg kwetsbaar.

    De financiering was het tweede struikelblok. Het Citrien-programma moest actief lobbyen bij de Nederlandse Zorgautoriteit om überhaupt een prestatiebeschrijving voor remote monitoring te krijgen. Zonder beschrijving geen vergoeding, zonder vergoeding geen duurzame implementatie. De RIVM-monitor bevestigt het effect, telemonitoring bij artsen laat door de jaren heen beperkte groei zien. Enthousiasme is er genoeg. De randvoorwaarden zijn er onvoldoende ingevuld.

    Enthousiasme of besef dat digitale zorg nodig is leidt dan ook niet automatisch tot gebruik. Gijsbers toont aan dat zelfs binnen één nationaal programma, met alle zeven UMC’s aan tafel, de variatie groot bleef. Wat in het ene ziekenhuis soepel liep, strandde elders op (IT-)systemen, inkoopprocedures of cultuurverschillen. Telemonitoring is geen product dat je uitrolt, het is een verandering die je organiseert, steeds opnieuw, per afdeling of zelfs de context van het zorgpad.

    En dan is er de belofte van werkdrukverlichting die nog niet is ingelost. Minder controles, betere triage, meer regie voor de patiënt: de argumenten zijn sterk. Maar de RIVM-monitor laat zien dat zorgverleners overwegend neutraal zijn over de impact van digitale zorg op werkdruk en werkplezier. Dat is niet verbazingwekkend, onderzoek toont aan dat implementatie in de beginperiode juist samenhangt met een werkdruktoename. De belofte is niet vals, maar ze wordt pas ingelost als telemonitoring goed is ingebed in werkprocessen. Voor die verandering en borging zijn er aanzienlijke investeringen nodig, in tijd en geld.

    Het risico van ongelijkheid groeit

    Er is een risico dat in discussies over digitale zorg te weinig wordt benoemd, terwijl het wel een fundamentele is. In de RIVM-monitor is het terug te lezen, afhankelijk van de toepassing, gebruiken ouderen en mensen met een lager opleidingsniveau 20 tot 45 procent minder vaak digitale zorg dan mensen met hbo of wo. Bij digitale schriftelijke communicatie neemt het verschil zelfs toe.

    Dat is zorgwekkend, juist omdat telemonitoring het meeste verschil kan maken voor mensen met chronische aandoeningen die ver van een ziekenhuis wonen. Er is ook een hoopvol signaal, ouderen met een chronische ziekte meten en delen hun gezondheidswaarden juist vaker dan jongeren. Toepassingen waarbij meten grotendeels automatisch gaat, zoals glucosesensoren of smartwatches, lijken drempels te overbruggen.

    Wat er nu moet veranderen

    Gijsbers doet concrete aanbevelingen, en de Federatie Medisch Specialisten versterkt die met haar Toekomstvisie 2035. Het zijn niet alleen onderzoekers die constateren dat het anders kan (of moet?), het is de beroepsgroep zelf. De FMS benoemt de opschaling van bewezen digitale innovaties expliciet als opgave.

    De eerste verandering is bekostiging die past bij de werkelijkheid. Telemonitoring kan sinds 2023 apart worden gedeclareerd. Dat is een stap vooruit, het mag maximaal éénmaal per 120 dagen als zorgactiviteit geregistreerd worden. Voor patiënten met meerdere chronische aandoeningen is dat onvoldoende en voor zorgaanbieders biedt het nauwelijks een duurzaam bekostigingsmodel. Dat proces moet sneller en het moet worden gevoed door bewijs uit de praktijk, niet door wachten op de perfecte studie.

    Dat brengt me op de tweede verandering: bewijs en financiering als gezamenlijk traject, niet als elkaars voorwaarden. Telemonitoring wordt beoordeeld alsof het een medicijn is, gerandomiseerde studies, harde klinische uitkomsten. Maar de waarde zit ook in aspecten die moeilijker te meten zijn, zoals minder (her)opnames, betere triage, minder reisbewegingen, meer zelfregie, er zijn er nog meer te bedenken. Voorlopige bekostiging met de verplichting om ondertussen bewijs te verzamelen zou de Nederlandse norm moeten worden. Wat bewezen kan worden, zal de gouden standaard worden.

    De derde verandering raakt misschien het meest aan de praktijk, ondersteun zorgverleners. De RIVM-monitor maakt dat duidelijk, zorgverleners die digitale zorg gebruiken zijn gemiddeld niet positiever of negatiever over de impact dan collega’s die het niet gebruiken. Ze hoeven dus niet overtuigd te worden. Ze moeten vooral beter ondersteund worden, scholing in opleiding én bijscholing, laagdrempelige begeleiding bij implementatie en ruimte in de werkweek.

    De vraag die blijft liggen

    Vanuit mijn werk in de Zeeuwse zorg herken ik de spanning. De urgentie is er, vergrijzing, personeelstekorten, afstanden tot ziekenhuiszorg die voor veel patiënten groot zijn. Telemonitoring is geen luxe het is een noodzaak. En toch lopen we steeds vast op dezelfde vragen: wie betaalt het, wie is verantwoordelijk, hoe houd je het vol als het implementatie project stopt? Ik heb van dichtbij een paar mooie initiatieven gezien die werken, maar ze kosten meer moeite dan het zou moeten én ook die initiatieven waren afhankelijk van enthousiaste collega’s.

    Gijsbers laat zien dat het kan, als de randvoorwaarden ingevuld zijn. De RIVM-monitor laat zien dat het gebruik stagneert zolang die randvoorwaarden ontbreken. En de medisch specialisten zeggen zelf dat opschaling van bewezen digitale innovaties een expliciete opgave is voor 2035. De technologie is er, de beroepsgroep ziet het als noodzakelijk, wat ontbreekt is structurele bekostiging die de praktijk in staat stelt op te schalen, en die tegelijk de verplichting meebrengt om te meten en te leren. Zo zorgen we dat het bewijs niet voorafgaat aan vergoeding, maar ermee groeit.


    Link ICT&Health: https://www.icthealth.nl/nieuws/telemonitoring-werkt-maar-waarom-is-het-nog-steeds-geen-gewone-zorg

  • Wat doet Zeeland al met AI in de zorg?

    Wat doet Zeeland al met AI (in de zorg)?

    De Provincie Zeeland heeft een filmreeks over AI in Zeeland, waaronder een aflevering over de zorg. Heel leuk om de eerste afleveringen te zien. De serie laat gelijk zien dat AI niet alles beter maakt, want de AI-gegenereerde beelden halen het niet bij echte beelden van het mooie Zeeuwse landschap…

    Terug naar AI in de zorg in Zeeland. Leuk dat Adrz hiervoor is benaderd. Collega Corine vertelt over spraakgestuurd rapporteren met de Digizorg Assistent. Een oplossing die tijdens het gesprek tussen arts en patiënt automatisch een samenvatting maakt. Patiënten ervaren meer persoonlijke aandacht, omdat de zorgverlener niet meer continu naar een scherm hoeft te kijken. Ook zorgverleners zelf merken dat ze in consulten meer aandacht voor de patiënt hebben, en er zijn voorbeelden van tijdsbesparing en minder mentale belasting. Mooie ontwikkeling, met een product wat steeds verder opschaalt en uitbreidt om zorgverlener en patiënt te helpen.

    Amarijn is al sinds 2018 actief bezig met AI, waaronder dwaaldetectie. Daarnaast heeft Amarijn op elke bewonerskamer een slimme sensor aan het plafond die detecteert of iemand een risico heeft op vallen, bijvoorbeeld omdat de bewoner op de rand van het bed zit. Zorgverleners hoeven nu pas in actie te komen bij een gericht alarm. Privacy en techniek waren vanaf het begin betrokken, en dat is nodig. Vanuit Adrz mogen wij Renco en zijn collega’s gelukkig ook bevragen over de ervaringen en kennis die zij hiermee opgedaan hebben.

    Sven Veen, vierdejaars HBO-verpleegkunde, loopt stage op de spoedeisende hulp in ZorgSaam Zorggroep Zeeuws-Vlaanderen. Hij verwacht dat AI (administratief) werk overneemt, zodat schaarse zorgverleners ingezet kunnen worden waar de tekorten het grootst zijn. Zijn punt over onderwijs is interessant, scholen weten nog niet goed hoe ze AI in het curriculum moeten inpassen.

    Mischa Beckers, lector verbonden aan de HZ University of Applied Sciences, zegt iets wat cruciaal is maar te vaak op de achtergrond raakt in al het AI-geweld. AI hoef je niet op te pakken vanuit Fear Of Missing Out (FOMO), je moet je afvragen of het meerwaarde biedt.

    Daarnaast is er een haalbaarheidsstudie voor een AI-hub Zeeland gedaan en deze concludeert dat de regio toe is aan een verbindende netwerkorganisatie, geen zwaar instituut maar een platform voor vraagbundeling, kennisdeling en samenwerking. Daar ben ik het mee eens, binnen de zorg leren we al veel van elkaar, maar dat kan altijd beter en de link met andere sectoren en het onderwijs mag van mij nog wat steviger. Laten we Sven daar ook bij betrekken

    In reactie staan links naar onderwerpen uit bericht, waaronder de AI filmreeks in Zeeland.

    Gedeelde link bij LinkedIn bericht:

    Originele LinkedIn bericht: https://www.linkedin.com/feed/update/urn%3Ali%3Ashare%3A7446257952027697153

     

  • Digitale Omnibus: de AI Act krijgt vorm

    Digitale Omnibus voor AI Act: de contouren worden zichtbaar

    De wijzigingen in de AI Act beginnen vorm te krijgen. Zowel de Europese Raad als het Europees Parlement publiceerden onlangs hun standpunten. Vijf punten springen eruit.

    AI-geletterdheid: het grootste struikelblok

    Hier zijn ze nog niet over uit:

    – Commissie: AI-geletterdheid wordt een inspanningsverplichting van lidstaten, geen harde eis aan organisaties.

    – Raad: Lijkt dit nog soepeler te formuleren, maatregelen worden gestimuleerd “within their respective roles and responsibilities”.

    – Parlement: Is iets ‘strenger’. Organisaties houden een eigen verantwoordelijkheid, maar de lat ligt lager dan onder de huidige AI Act. Niet langer een toereikend niveau bereiken, maar actief maatregelen nemen om AI-geletterdheid te ondersteunen en verbeteren.

    ⏳ Uitstel hoog risico AI

    Voor de zorg is dit relevant. Bijlage I raakt AI ingebouwd in medische hulpmiddelen, zoals diagnostiek. Bijlage III raakt AI die ingezet wordt voor klinische besluitvorming. Beide categorieën brengen zwaardere verplichtingen mee.

    – Bijlage III: 2 december 2027

    – Bijlage I: 2 augustus 2028

    ⚖️ Structuurwijziging: AI Act en medische hulpmiddelen

    Het parlement stelt een andere wijziging voor. AI in medische hulpmiddelen, zoals diagnostische systemen die nu al onder de MDR vallen, hoeft straks niet meer aan twee aparte regelgeving te voldoen om overlap te voorkomen. De MDR beoordeling wordt leidend, en de AI Act eisen worden daar via die bestaande procedure in meegenomen. Dit moet nog verder besproken worden.

    Bijzondere persoonsgegevens voor bias-detectie

    De Commissie wilde de drempel hiervoor verlagen en het gebruik breder mogelijk maken naar alle AI. Raad en Parlement blijven de strengere “strikt noodzakelijk” handhaven. Uitbreiding naar andere AI-systemen mag alleen in uitzonderlijke gevallen (zoals gezondheid). Er is geen verplichting om bias-detectie uit te voeren met bijzondere persoonsgegevens

    Nieuw verbod

    Ze willen AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal zonder toestemming en kinderpornografisch materiaal expliciet verbieden. Een directe reactie op de Grok AI-controverse van afgelopen najaar.

    Deadline HR-AI, HR = hoog risico.

    Gedeelde link bij LinkedIn bericht:

    Originele LinkedIn bericht: https://www.linkedin.com/feed/update/urn%3Ali%3Ashare%3A7441582914527580161